Bartók/Mikrokosmos

Choreografie
Anne Teresa De Keersmaeker

Mikrokosmos, Seven Pieces for Two Piano’s

Gedanst door
Elizaveta Penkóva, Jakub Truszkowski

Gecreëerd met
Jean Luc Ducourt, Johanne Saunier

Muziek
Béla Bartók
Live uitgevoerd door
Jean-Luc Fafchamps & Jean-Luc Plouvier of Michael Frohnmeyer & Stefan Ginsburgh

Repetitieleiding
Johanne Saunier, Mark Lorimer

Monument / Selbstporträt mit Reich und Riley (und Chopin ist auch dabei) / im zart fliessender Bewegung

Muziek
György Ligeti

Muziek live uitgevoerd door
Jean-Luc Fafchamps & Jean-Luc Plouvier of Michael Frohnmeyer & Stefan Ginsburgh

Quatuor N° 4

Gedanst door
Tale Dolven, Elizaveta Penkóva, Sandra Ortega Bejarano / Taka Shamoto, Sue-Yeon Youn

Gecreëerd met
Anne Teresa De Keersmaeker, Roxane Huilmand, Fumiyo Ikeda, Nadine Ganase, Johanne Saunier

Muziek
Béla Bartók

Muziek live uitgevoerd door
The Duke Quartet : Louisa Fuller (viool), John Metcalfe (altviool), Rick Koster (viool), Sophie Harris (cello)

Repetitieleiding
Fumiyo Ikeda

Lichtontwerp
Anne Teresa De Keersmaeker / Herman Sorgeloos

Kostuums
1987 : Rosas
Herneming : Anne-Catherine Kunz

Assistent van de artistiek directeur
Anne Van Aerschot

Productieleiding
Johan Penson geassisteerd door Willem deCoster

Technici
Jan Herinckx, Wannes De Rydt, Michael Smets, Bert Van Dyck

Wereldpremière
01/10/1987, Halles de Schaerbeek, Presentatie: Kaaitheater (Brussel)

Productie 1987
Rosas, Kaaitheater, Théâtre de la Ville (Paris)

Coproductie Early Works 2009
Sadler's Wells (Londen), Les Théâtres de la Ville de Luxembourg

Een dans- en muziekavond in drie delen: het gedanste duet Mikrokosmos op een compositie van Béla Bartók voor twee piano’s, een muziekstuk van György Ligeti, uitgevoerd door de twee pianisten, en het gedanste vierde strijkkwartet van Béla Bartók. Alle muziek wordt live uitgevoerd. Tussen de muzikanten en de dansers ontwikkelt zich een spannende medeplichtigheid. Bartók/Mikrokosmos is een voorstelling over dans en over muziek en vooral over het plezier van samen dansen en samen spelen waaraan je als toeschouwer deelachtig wordt alleen al door ernaar te kijken.

Rosas, Early Works 1982-87

Van de eerste werken van jonge kunstenaars die later tot ‘grote auteurs’ uitgroeien, gaat vaak een fascinatie uit, omdat zij in embryo de leefwereld, de thematiek, de vormentaal bezitten, die in het latere oeuvre wordt opengeplooid en uitgediept. Met het project Early Works brengt choreografe Anne Teresa De Keersmaeker vier choreografieën samen uit de periode 1982-1987: Fase, Four Movements to the Music of Steve Reich (1982), Rosas danst Rosas (1983), Elena’s Aria (1984) en Bartók/Mikrokosmos (1987). Elena’s Aria wordt voor het eerst sinds zijn creatie hernomen; de drie andere voorstellingen behoren al langer tot het Rosas-repertoire en kenden diverse edities met een (al dan niet) verjongde cast.

Anne Teresa De Keersmaeker was zeer jong toen zij haar carrière begon: bij de creatie van haar eerste productie Asch in 1980 was ze net twintig. Twee jaar en een verblijf in New York later, zette ze met Fase een baken op de kaart van de Vlaamse dans, een baken dat meteen tot ver over onze grenzen zichtbaar werd. De eerste taak voor een jonge choreograaf die aan een oeuvre werkt, is het ontwikkelen van een eigen taal. Dit geldt in nog hogere mate voor die choreografen die niet vertrekken van een bestaand bewegingssysteem zoals b.v. dat van het klassieke ballet. Het lijkt dan ook evident dat zij die persoonlijke bewegingstaal in de eerste plaats gaan zoeken in het eigen lichaam. Een zeer bepalend kenmerk van de vroege periode (1980-1987) in het werk van Anne Teresa De Keersmaeker ligt dan ook in het feit dat zij altijd zelf aanwezig was op de scène, dat de bewegingen aan haar eigen lichaam ontsproten, dat zij via dat ‘eigen lijf’ de vorm, de energie en de overtuigingskracht van haar dansen overdroeg op de lichamen van ‘de anderen’ die samen met haar op de scène stonden.

Eén van de rode draden die deze Early Works met elkaar verbinden is die van een uitgesproken vrouwelijkheid. In die eerste periode zijn de ‘anderen’ op de scène bijna uitsluitend vrouwen. Pas in het duet Mikrokosmos duikt voor het eerst een mannelijke danser op. Het aantal performers is in de Early Works ook beperkt: maximaal staan er vijf danseressen op het podium. Vrouwelijkheid, het vrouwelijke lichaam, de vrouwelijke emoties bepalen mee de kleur van deze voorstellingen zonder dat zij echter expliciet naar het feminisme van dat moment verwijzen. Op een schroomvolle wijze doorstraalt de subtiele metamorfose van meisje naar vrouw de lichamen: van hun emotionele innerlijkheid tot in hun zichtbare lichamelijke expressiviteit. De schemerzone tussen meisje en vrouw maakt onlosmakelijk deel uit van de choreografie. Deze band blijkt zo dwingend dat bij de hernemingen van Fase, Rosas danst Rosas en Bartók/Mikrokosmos meestal gekozen werd voor een jongere cast, maar dat Anne Teresa De Keersmaeker zelf vaak is blijven meedansen: de gedanste woordenschat ervaart zij wellicht als zo eigen dat zij als het ware aanwezig moet blijven in deze  erken. In de Early Works duiken beelden op die refereren aan die aarzelende transformatie van meisje tot vrouw, beelden die heen en weer glijden tussen kinderlijkheid, adolescentie en volwassen zijn. De gedisciplineerde abstracte lichamen van de twee vrouwen uit Fase (bij de creatie: Anne Teresa De Keersmaeker en Michèle Anne De Mey) maken in Rosas danst Rosas plaats voor een jeugdige roekeloosheid, voor een ongecontroleerd zich overgeven aan de beat van de muziek, aan de energie van de dans. De derde beweging van deze choreografie is echter opgebouwd rond een reeks korte solo’s waarin de vier danseressen elk om beurt hun schouders ontbloten. Alsof de tot het spel van de verleiding gedoemde vrouw hier voor het eerst haar rol opneemt. En toch blijft dit nog ‘een oefening in beïnvloeding’. De man is (nog) afwezig. De meisjes staan als het ware voor de spiegel: ze verleiden zichzelf, testen uit hoe het later zal gaan. In het één jaar later gecreëerde Elena’s Aria staan er jonge vrouwen op de scène die hun eerste teleurstellingen in de liefde al achter de rug hebben. Zo lijkt het althans. Ze spelen nog wel kinderspelletjes: ze houden zich in evenwicht lopend op een krijtcirkel, ze jagen elkaar na op een rij stoelen. Maar zij dragen smalle jurken en hoge hakken: de attributen van de vrouw die hen hinderen in het spel. In de algemene sfeer van de voorstelling overheerst het verlangen naar de ander. De pijn om de afwezigheid van de geliefde wordt expliciet uitgesproken in een tekst van Tolstoi die wordt voorgelezen op de scène. Later, in de choreografie op het vierde strijkkwartet van de Hongaarse componist Bela Bartók – oorspronkelijk gecreëerd in 1986 als hoofdbestanddeel van de voorstelling Bartók/Aantekeningen – zijn de baldadige kleine meisjes opnieuw van de partij: zij hebben lak aan verleiding, zij dansen schaamteloos op bottines en tonen brutaal hun witte onderbroekjes. Pas aan het slot van die voorstelling keren zij terug naar de verstilling en tooien zij zich opnieuw met vrouwelijke attributen. In Mikrokosmos verschijnt dan de eerste man. De antrekkingskracht doet haar werk, maar romantisch of eenduidig teder is zij niet. Er is wat duwen en trekken, er is speelsheid én beklemming. Het weerkerende beeld van de centrale omhelzing is intens en hard tegelijkertijd. De weg die Anne Teresa De Keersmaeker in bewegingstaal aflegt in die eerste periode verloopt stap voor stap en weloverwogen. De eenvoud, de repetitieve strakheid van Fase wordt in Rosas danst Rosas wat losser gelaten. Er is meer diversiteit, maar de economie in de gebruikte middelen blijft nog bestaan. De Keersmaeker definieert helder de parameters waaruit zij een voorstelling wil opbouwen: beweging, muziek, licht, de dramaturgische structuur… worden op intelligente en gecontroleerde wijze met elkaar gecombineerd. Zowel in het passenmateriaal, als in het samenspel van de danseressen en de structurering van de ‘hoofdstukken’ is Rosas danst Rosas avontuurlijker dan Fase: van unisono (of zijn defasering) wordt de stap gezet naar een grotere compositorische complexiteit, het perfecte samen dansen (of zijn defasering) verglijdt naar een duidelijk zichtbare individualisering van de performers. Naast abstracte bewegingen introduceert Rosas danst Rosas ook gestes die als ‘alledaags’, als ‘realistisch’ of beter, als dragers van concrete betekenissen omschreven kunnen worden: een hand die door het haar strijkt, het over mekaar slaan van benen bij het zitten op een stoel, armen die langs het lichaam wegglijden… In het oeuvre van De Keersmaeker heerst een enorm wederzijds respect tussen muziek en dans: alsof deze beide disciplines met veel aandacht naar elkaar luisteren, voortdurend in gesprek zijn en toch af en toe elk hun eigen weg kunnen gaan. In Fase en in Rosas danst Rosas bundelen muziek en beweging hun samenspannende kracht. De repetitiviteit van Fase, de beat en de drive van Rosas danst Rosas, ondersteund door resp. de minimalistische composities van Steve Reich en van Thierry de Mey en Peter Vermeersch, sleepten de toeschouwer mee en (be)vestigden De Keersmaekers reputatie als internationaal erkende choreografische waarde.

Toch voelde Anne Teresa De Keersmaeker al meteen na Rosas danst Rosas de behoefte tegen haar eigen succes in te gaan en te weerstaan aan de verleiding om de eigen verworvenheden te gaan herhalen. In vele opzichten is Elena’s Aria uit 1984 een cruciale voorstelling in haar parcours en precies daarom is ze zo moeilijk herhaalbaar binnen een repertoire. Deze voorstelling is het product van iemand die zichzelf en haar werk, hoe jong en pril ook, in vraag stelt en weet dat grote kunstenaars dit keer op keer moeten doen, hoe pijnlijk zo’n proces ook is. Elena’s Aria ademt het zoeken van de maker en de twijfel die opduikt als de zelfzekere energie van de eerste projecten even wegebt. In Elena’s Aria brak Anne Teresa De Keersmaeker met de fascinatie voor de repetitiviteit, liet zij de beat en de drive los om te kiezen voor lange momenten van stilte en voor diverse muzikale fragmenten/stemmen die slechts op de achtergrond de bewegingen ondersteunen. Het ‘spectaculaire’ van de unisono verdwijnt, behalve in de coda. Het introverte, het niet direct zichtbare dat toch voelbaar is, vormen het hart van deze productie. Er is zoveel uit te drukken dat eigenlijk niet uit te drukken valt dat er gezocht wordt naar andere middelen naast dans en muziek. In Elena’s Aria introduceert Anne Teresa De Keersmaeker voor het eerst tekst en gefilmde beelden. Met woorden – die meteen zovéél willen betekenen –wordt schroomvol omgesprongen. Er is letterlijk een leeshoekje op de scène, compleet met zetel en staande lamp waar zich telkens één van de danseressen terugtrekt om een tekst hardop te lezen. Ruimtelijke gezien heeft Elena’s Aria een grilliger bouw dan de vorige stukken, alhoewl de cirkel (in krijt uitgetekend) en de lijn (de rij stoelen) terugkeren. Fase bestaat uit drie ‘lineaire’ duo’s en één solo waarin lijn, diagonaal en cirkel worden gecombineerd. Deze solo vindt zijn echo én zijn uitputtende doorwerking in het vierde deel van Rosas danst Rosas. In de eerste beweging van deze laatste choreografie werd eens en voor altijd ‘de vloer veroverd’: van dan af worden vallen, rollen, liggen …niet meer weg te denken bewegingen in De Keersmaekers bewegingstaal. In de Bartók-choreografieën - het duet Mikrokosmos en het kwartet op Quatuor n° 4 – worden die drie basisvormen (lijn, diagonaal, cirkel) al met veel meer complexiteit en virtuositeit in elkaar verstrengeld. In de basisstructuur van het Quatuor, de indeling in vijf hoofdstukken, blijven ze echter zichtbaar: het eerste en het vijfde hoofdstuk hebben een lineair frontale hoofdrichting, het tweede en het vierde deel zijn geconstrueerd rond een laterale lijn, terwijl de structuur van het derde hoofdstuk cirkelvormig is. Na Elena’s Aria vinden dans en muziek elkaar vreugdevol terug in de Bartókchoreografieën. Het wederzijds gesprek tussen de disciplines wordt hervat. Anne Teresa De Keersmaeker: ‘Ik probeer altijd om via de dans op een heel simplistische manier datgene naar voor te brengen wat mij aanspreekt in de muziek, wat mij aanzet tot dansen. Eigenlijk probeer ik het publiek door de dans de schoonheid, het plezier, het genot van de muziek te laten beleven.’

De belangrijkste gemene deler die de Early Works met elkaar verbindt, is de gelijktijdige zoektocht van Anne Teresa De Keersmaeker naar enerzijds de emotionele geladenheid van structuren en anderzijds naar de structuur die in emoties zit. De verschillende producties uit die eerste periode plaatsen zich alle ergens op de as die van de pure abstractie naar de pure gevoelsmatigheid loopt. Ze houden elkaar in wankel evenwicht. De structuur bevat de verrijkende omweg waardoor de emotie zich op niet expliciete wijze kan manifesteren. En omgekeerd tempert de concreetheid van de emotie de abstractie van de structuur.
Anne Teresa De Keersmaeker: ‘Structuur en emotie dragen mekaar. Dat lijkt een cliché, maar dat zit echt in mijn vezels. Structuur en emotie verschillen van mekaar maar ik heb ze nooit als alleenstaand kunnen bekijken. Emoties zijn altijd een grote leidraad geweest in wat ik doe, maar aan de andere kant is er steeds een soort verlangen naar abstracte schoonheid, naar een onverbiddelijke, op zichzelf staande orde.’ Voor dit credo heeft zij in de Early Works de eerste uitdrukkingsvormen gevonden: verworvenheden die zij in haar verdere oeuvre ontwikkeld heeft, in vraag gesteld en dan weer uitgediept, en opnieuw in vraag gesteld, enzovoorts, enzovoorts.

Marianne Van Kerkhoven