De eindeloze mogelijkheden van Coltranes magisch kwadraat

Gepubliceerd op 17.02.2017, 18:33

Toen John Coltrane bij het eind van de zomer 1964 uit zijn werkkamer kwam, had hij op muziekpapier een soort kladje bij elkaar geschreven, waarop de grote lijnen van een volstrekt nieuw soort compositie stonden. Hij had zich vijf dagen van zijn jong gezin afgesloten, was na veel drugsellende weer clean en herontdekte de spiritualiteit van de Black Church en haar krachtige retorische ritme – iets wat ook de speeches van iemand als Barack Obama altijd heeft doortrokken. A Love Supreme, zoals het werkstuk heette, tekende rudimentair vier delen uit,  het eerste met een welbekend riedeltje  van vier noten voor het basisakkoord: sol – sib, sol – do (G – B flat, G – C ); soms staat er schetsmatig een indicatie voor piano of bas, en onderaan het blad muziekpapier de uitroep: All paths lead to God / Prayer entitled – A Love Supreme – dat alles in onhandige letters en haastig met kogelpen neergekrabbeld.

Maar er was meer. Coltrane was diep in de spirituele dynamiek van die dagen gedoken. Hij zag muziek als de opperste uiting van spiritualiteit, maar ook als diepste expressie van de identiteit van de zwarte cultuur. Hij had namelijk ook nog een soort psalm neergepend, helemaal in de stijl van de zwarte preken, gebaseerd op drie principes: elation, elegance, exaltation – vreugde, elegantie, vervoering.

Het concept voor een van de meest revolutionaire jazzplaten van de twintigste eeuw was geboren. In slechts één lange, ononderbroken en extatische take werd vervolgens de plaat opgenomen met het fantastische trio waarmee hij al jaren speelde: McCoy Tyner (p), Jimmy Garrisson (b) en Elvin Jones (dms).

A Love Supreme bleek meteen een bom. Het opende zoveel ongekende perspectieven, het was zo nieuw, dat popmuzikanten als Carlos Santana bekenden dat ze er geen jota van begrepen – om het jaren later, wanneer de muzikale implicaties waren doorgesijpeld, alsnog zelf op plaat te zetten.

Het is nog steeds spectaculair, en inmiddels tijdloos. Rond enkele kleine kernen bouwen de vier muzikanten een totale, volstrekte vrijheid van improvisatie op, waarbij ze onophoudelijk grenzen verleggen. Zoals wel vaker in jazz, liepen de vier noten van het eerste thema gelijk op met de lettergrepen van de titel. Het is ook het bekendste en meest toegankelijke deel, waarin de muzikanten uiteindelijk zelfs wat aan het zingen (of brommen) gaan en als in vervoering de woorden ‘a love supreme’ incanteren.

De vier delen van de compositie luiden: Acknowledgement, Resolution, Pursuance, Psalm. Dat wil zeggen, ze beslaan de opgaande graden van de spirituele oefening: erkenning, besluitvaardigheid, doorzettingsvermogen, dankzegging. De basistempi wisselen, maar de structuur wordt beheerst door een opgang naar totale openheid van geest. Dat klinkt allemaal behoorlijk zweverig, maar de magie van de onderneming bestaat eruit dat dit zwarte, geweldige, opwindende, verscheurende, ontroerende en revolutionaire muziek heeft opgeleverd. Coltrane drukte dit alles namelijk ook letterlijk uit in zijn muzikale visie: als een gek had hij de voorgaande jaren de hele kwintencirkel en zijn mogelijkheden op modaal spelen nageplozen, een beetje zoals Bach dat had gedaan met de klassieke harmonie bij het schrijven van het Wohltemperiertes Klavier (hij had een grote tekening van de kwintencirkel in zijn kamer opgehangen en bestudeerde die onophoudelijk terwijl hij oefende). Wat dit kwartet hier presteert is namelijk, door het telkens verschuiven van kleine muzikale kernzinnen, een volledig modale (dus niet tonale) en open structuur scheppen, die perfect de spirituele openheid weerspiegelt waarnaar Coltrane op zoek was. Tel daarbij het feit dat Elvin Jones de hele tijd revolutionaire ritmes drumt, gebaseerd op uiterst complexe  Afrikaanse ritmiek, terwijl McCoy Tyner op onnavolgbare wijze de modale verspringingen van Coltrane op de voet volgt en opentrekt naar weer een ander, onverwacht niveau. Dit alles was letterlijk ongehoord: het was black culture, het was politiek in de tijd van Malcolm X en Luther King, het was religieuze incantatie zoals bij de Black Preachers, het was muzikaal even complex en geniaal als Charlie Parker ten tijde van de bebop of Schönbergs twaalftoonssysteem, én het straalde een ongehoorde seksuele energie uit, die tegelijk onophoudelijk in toom werd gehouden door de religieuze ‘elegance and exaltation’.

Maar wat bij nader toezien misschien de grootste stunt was, bleek in het laatste deel, de Psalm te zitten: daar speelt Coltrane, op onnavolgbare wijze ondersteund door de drie muzikanten die elk hun geheel eigen stijl uitbouwen, letterlijk noten op de lettergrepen van zijn zelf geschreven religieus gedicht. Neem de proef op de som: luister naar de muziek en volg de woorden, het heeft iets krankzinnigs. Coltrane schreeuwt extatisch een zelfgeschreven gebed uit door zijn gierende tenorsax.

Hoe vertaal je iets dergelijks, een dergelijk kolossaal gegeven naar zoiets lichts en abstracts als hedendaagse dans? Anne Teresa De Keersmaeker heeft daarop in 2005 reeds resoluut haar antwoord gegeven: door haar intuïtief aanvoelen van deze ongelooflijke muziek te combineren met haar eigen structurerend genie, in samenwerking met Salva Sanchis. Het is deze productie die nu, anno 2017, tegen het licht van een decennium aan nieuwe inzichten wordt gehouden en letterlijk wordt herschreven met nieuwe, jonge dansers.

Het gegeven is verbluffend eenvoudig: vier mannelijke dansers dansen het samenspel tussen de vier muzikanten van Coltranes kwartet. Maar dat alles zonder ooit illustratief of anekdotisch te worden. Ja, er zijn – haast vederlicht ironische – bewegingen die samenvallen met een bass arpeggio, met een tik op de snare drum, met een melodische lijn. Maar alles blijft dezelfde vrijheid ademen die Coltrane zelf voor ogen stond bij het spelen in de open, modale stijl: alles kan elk ogenblik in iets anders overgaan, door een minieme verschuiving opgaan in een ander perspectief, terwijl de regie haar eigen logica ontplooit. Elke danser moet op elk ogenblik volledige verantwoordelijkheid afleggen tegenover de houding die hij aanneemt ten opzichte van deze klankenkosmos. Dat geeft deze uitvoering iets dat haast ethisch is: het gaat om het consequent doortrekken van wat men onder authenticiteit verstaat – een radicale opgave voor jonge dansers, een leerschool zonder gelijke.

Op die manier wordt de dansvloer, zoals vaak bij De Keersmaeker, een ruimtelijke beeldspraak, niet alleen voor Coltranes basispartituur, maar vooral voor de expressieve complexiteit van de totale improvisatie, die toch geaxeerd blijft rond het logische basisgegeven: men beweegt op muziek die niet met deze bedoeling is geschreven, maar er haast voor geknipt lijkt wanneer ze in de juiste handen, in de juiste sensibiliteit terechtkomt. Het resultaat is aangrijpend in zijn bescheidenheid, maar het is een eenvoud die tevens de hoogste ambitie bevat: hoe neemt het lichaam de vrijheid, de belofte van totale openheid van deze muziek in zich op en hoe vertaalt het dat, hoe geeft het die enorme dynamiek zo helder mogelijk aan ons terug? Deze vraag liep als een rode draad door het recente werk van Sanchis en kreeg een kristalhelder antwoord in zijn jongste voorstelling Radical Light, een werk waarvan we ook hier de sporen terugvinden.

Er is bovendien iets aan de hand met dat getal vier bij Coltrane: een kwartet muzikanten, vier delen, alles in de 4/4 maat, de vierdelige spirituele opgang… Van daaruit ontstaan alle mogelijke combinaties, dwarsverbindingen, openingen. Vier als het getal van de beslotenheid, het op zichzelf bestaan – en dan openplooien naar alle kanten. Dat is precies wat ook in deze dansvoorstelling gebeurt. De vier dansers gaan elk tijdelijk af wanneer ‘hun’ instrument zwijgt – maar niets zegt dat ze een volgend ogenblik niet een ander instrument op zich zouden kunnen nemen.

Het magisch kwadraat is bekend uit de kunstgeschiedenis door Dürers uitbeelding van de melancholie. Het is deze allegorische figuur die, broedend op de betovering van getallen, somber voor zich uit zit te kijken alsof ze een eindeloze tunnel aan mogelijkheden ziet openplooien die een mens nooit helemaal kan doorzien. Haar melancholie loopt gelijk op met haar fascinatie: iets eindigs – een getallenreeks – kan blijkbaar iets oneindigs omvatten. De extatische elegantie van deze muziek, zoals ze wordt hertekend, begrepen, doorleefd, gedanst in deze voorstelling, legt getuigenis af van dit inzicht: de eindeloze mogelijkheid zit opgesloten in het vernuft van de juiste, geniale vorm. Het is het perspectief waarin Anne Teresa De Keersmaeker en Salva Sanchis de muzikale erfenis van Coltranes A Love Supreme perfect hebben begrepen en nieuw leven ingeblazen, door het terug te geven aan het ademende en denkende lichaam, waaruit het is ontstaan.

© Stefan Hertmans, januari 2017
Met dank aan Peter Hertmans voor de geweldige luistersessie en het gesprek dat we samen hadden naar aanleiding van deze productie.